Over neuro-inclusief leren en werken
Onlangs hielp ik Mirjam Nijhuis bij het vertellen van haar verhaal over neuro-inclusief onderwijs en werken. Het onderwerp neurodiversiteit op de werkvloer en in het onderwijs interesseert me al langer. Door haar verhaal te structureren en te verwoorden, ging ik er nog bewuster naar kijken.
Vooral één gedachte is me bijgebleven: bij verschillen tussen mensen kijken we al snel naar wat iemand nodig heeft om binnen een bestaande omgeving te functioneren. Maar je kunt de vraag ook omdraaien: wat in die omgeving maakt het voor sommige mensen eigenlijk onnodig moeilijk?
De onzichtbare standaard
Iedere school en werkplek bevat aannames over hoe mensen horen te functioneren. Hoe lang je je kunt concentreren, hoe snel je informatie verwerkt, hoeveel prikkels je aankunt en of je gemakkelijk ter plekke reageert in een groep.
Veel van die normen zijn nergens expliciet vastgelegd. Wie er goed binnen past, merkt ze waarschijnlijk nauwelijks op. Wie anders denkt, leert of informatie verwerkt, kan er juist voortdurend tegenaan lopen.
Dat vind ik een interessante manier om naar neurodiversiteit te kijken. Niet alleen vanuit de eigenschappen van een individu, maar vanuit de wisselwerking tussen mensen en de omgeving waarin we van hen verwachten dat ze functioneren.
Niet alleen aanpassen achteraf
Bij inclusie denken we vaak aan aanpassingen voor iemand die moeite heeft met de bestaande situatie. Dat kan nodig zijn, maar de bestaande omgeving blijft daarmee wel het uitgangspunt.
Je kunt ook eerder beginnen en een school of werkplek zo inrichten dat er ruimte is voor verschillen. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Denk aan de mogelijkheid om informatie schriftelijk te verwerken, minder vanzelfsprekend vergaderen, ruimte voor rust en concentratie of verschillende manieren waarop leerlingen kunnen leren en laten zien wat ze kunnen.
Veel van zulke keuzes zijn bovendien niet alleen prettig voor mensen die neurodivergent zijn. Duidelijke schriftelijke informatie is voor vrijwel iedereen handig, net als de mogelijkheid om geconcentreerd te werken of even na te denken voordat je ergens op moet reageren.
Verschillen mogen er zijn
Dat betekent niet dat verschillende manieren van denken samenwerken automatisch gemakkelijker maken. De één wil snel beslissen, terwijl de ander eerst alle mogelijkheden wil analyseren. De één denkt hardop, terwijl de ander pas iets wil zeggen wanneer een gedachte min of meer af is.
Juist daarin zit voor mij een belangrijk onderdeel van neuro-inclusie. We hoeven niet allemaal op dezelfde manier te denken en werken om goed te kunnen functioneren. Maar dan moeten we wel oppassen dat we één manier niet ongemerkt tot de standaard verheffen.
Misschien begint een neuro-inclusieve school of werkplek daarom met een vrij eenvoudige verschuiving. Niet alleen vragen wat iemand nodig heeft om zich aan de omgeving aan te passen, maar ook kijken naar wat we aan die omgeving kunnen veranderen.
Niet iedereen passend maken voor hetzelfde systeem, maar een systeem maken waarin meer verschillende mensen passen.

