Categorie: Werk & ontwikkeling

  • Veranderen begint niet met het antwoord.

    Veranderen begint niet met het antwoord.

    Over ruimte maken voor wat er nog niet is

    Toen ik de website van Vernieuwkracht ontwikkelde, wilde ik me graag verder verdiepen in het gedachtegoed van Marleen Kaijen. Niet alleen om goede teksten te kunnen schrijven, maar vooral om te begrijpen wat zij met Vernieuwkracht eigenlijk wilde vertellen.

    Wat me daarin aansprak, was dat ontwikkeling bij haar niet begint met een vooraf bedacht eindpunt. Juist wanneer je nog niet precies weet waar je uit gaat komen, kan er ruimte ontstaan voor iets nieuws. Dat klinkt eenvoudig, maar staat behoorlijk haaks op hoe we verandering vaak proberen te organiseren.

    De neiging om het antwoord al te willen weten

    Als we iets willen veranderen, maken we graag eerst duidelijk waar we naartoe gaan. We formuleren doelen, maken plannen en bepalen welke stappen nodig zijn om van de huidige naar de gewenste situatie te komen.

    Daar is op zichzelf niets mis mee. Voor veel vraagstukken is het zelfs heel verstandig. Maar het wordt ingewikkelder wanneer je te maken hebt met een situatie waarin het juiste antwoord nog helemaal niet bekend is.

    Dan kan de behoefte aan duidelijkheid ons juist beperken. We proberen iets nieuws te bedenken, maar doen dat binnen de kaders van wat we al kennen. Het eindpunt ligt misschien nog niet vast, terwijl we ons gedragen alsof we het alleen nog hoeven te bereiken.

    Ruimte voor niet-weten

    In het verhaal van Marleen kwam ik een andere manier van kijken tegen. Niet-weten is daarin niet per definitie een probleem dat zo snel mogelijk opgelost moet worden. Het kan ook een noodzakelijke tussenruimte zijn waarin je onderzoekt, probeert en ontdekt wat er mogelijk is.

    Dat idee spreekt me aan, juist omdat het ongemakkelijk kan zijn. We waarderen expertise vaak om het hebben van antwoorden, terwijl goed nadenken soms juist begint met erkennen dat je het antwoord nog niet hebt.

    Daarvoor moet je wel een tijdje kunnen verdragen dat iets nog niet netjes in een plan, model of conclusie past. Je verzamelt verschillende perspectieven, stelt vragen en kijkt wat er ontstaat voordat je bepaalt wat het geheel betekent.

    Eerst begrijpen, dan vormgeven

    Misschien bleef het gedachtegoed van Vernieuwkracht me daarom ook bij nadat de website eenmaal stond. Tijdens het maken ervan merkte ik hoe gemakkelijk je te snel naar een vorm kunt zoeken voor iets wat inhoudelijk nog in ontwikkeling is.

    Een website dwingt namelijk voortdurend tot keuzes. Wat zet je op de homepage? Welke onderwerpen horen bij elkaar? Welke woorden gebruik je voor iets wat veel genuanceerder is dan één kopje kan uitdrukken? Om die keuzes goed te kunnen maken, moet je eerst begrijpen wat de ander werkelijk probeert te vertellen.

    Dat geldt uiteindelijk voor veel meer dan websites. Soms is de behoefte om iets snel helder te krijgen precies wat voorkomt dat je ontdekt wat er nog meer in zit.

    Niet alles hoeft meteen af te zijn

    Ik houd zelf van structuur en duidelijke gedachten. Misschien vind ik het idee van niet-weten juist daarom interessant: structuur is waardevol, maar het moment waarop je structuur aanbrengt doet ertoe.

    Te vroeg ordenen kan mogelijkheden afsluiten. Te lang niets vastleggen kan juist zorgen dat ideeën nergens naartoe gaan. Ergens daartussen ligt het moment waarop losse gedachten langzaam een richting beginnen te vormen.

    Misschien begint ontwikkeling daarom niet met weten waar je uitkomt, maar met genoeg ruimte om dat te ontdekken.

  • Hoe inclusief is onze manier van leren en werken?

    Hoe inclusief is onze manier van leren en werken?

    Over neuro-inclusief leren en werken

    Onlangs hielp ik Mirjam Nijhuis bij het vertellen van haar verhaal over neuro-inclusief onderwijs en werken. Het onderwerp neurodiversiteit op de werkvloer en in het onderwijs interesseert me al langer. Door haar verhaal te structureren en te verwoorden, ging ik er nog bewuster naar kijken.

    Vooral één gedachte is me bijgebleven: bij verschillen tussen mensen kijken we al snel naar wat iemand nodig heeft om binnen een bestaande omgeving te functioneren. Maar je kunt de vraag ook omdraaien: wat in die omgeving maakt het voor sommige mensen eigenlijk onnodig moeilijk?

    De onzichtbare standaard

    Iedere school en werkplek bevat aannames over hoe mensen horen te functioneren. Hoe lang je je kunt concentreren, hoe snel je informatie verwerkt, hoeveel prikkels je aankunt en of je gemakkelijk ter plekke reageert in een groep.

    Veel van die normen zijn nergens expliciet vastgelegd. Wie er goed binnen past, merkt ze waarschijnlijk nauwelijks op. Wie anders denkt, leert of informatie verwerkt, kan er juist voortdurend tegenaan lopen.

    Dat vind ik een interessante manier om naar neurodiversiteit te kijken. Niet alleen vanuit de eigenschappen van een individu, maar vanuit de wisselwerking tussen mensen en de omgeving waarin we van hen verwachten dat ze functioneren.

    Niet alleen aanpassen achteraf

    Bij inclusie denken we vaak aan aanpassingen voor iemand die moeite heeft met de bestaande situatie. Dat kan nodig zijn, maar de bestaande omgeving blijft daarmee wel het uitgangspunt.

    Je kunt ook eerder beginnen en een school of werkplek zo inrichten dat er ruimte is voor verschillen. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Denk aan de mogelijkheid om informatie schriftelijk te verwerken, minder vanzelfsprekend vergaderen, ruimte voor rust en concentratie of verschillende manieren waarop leerlingen kunnen leren en laten zien wat ze kunnen.

    Veel van zulke keuzes zijn bovendien niet alleen prettig voor mensen die neurodivergent zijn. Duidelijke schriftelijke informatie is voor vrijwel iedereen handig, net als de mogelijkheid om geconcentreerd te werken of even na te denken voordat je ergens op moet reageren.

    Verschillen mogen er zijn

    Dat betekent niet dat verschillende manieren van denken samenwerken automatisch gemakkelijker maken. De één wil snel beslissen, terwijl de ander eerst alle mogelijkheden wil analyseren. De één denkt hardop, terwijl de ander pas iets wil zeggen wanneer een gedachte min of meer af is.

    Juist daarin zit voor mij een belangrijk onderdeel van neuro-inclusie. We hoeven niet allemaal op dezelfde manier te denken en werken om goed te kunnen functioneren. Maar dan moeten we wel oppassen dat we één manier niet ongemerkt tot de standaard verheffen.

    Misschien begint een neuro-inclusieve school of werkplek daarom met een vrij eenvoudige verschuiving. Niet alleen vragen wat iemand nodig heeft om zich aan de omgeving aan te passen, maar ook kijken naar wat we aan die omgeving kunnen veranderen.

    Niet iedereen passend maken voor hetzelfde systeem, maar een systeem maken waarin meer verschillende mensen passen.